U bevindt zich hier: Home  >  Actueel

Actueel

< terug naar overzicht

Prettig gespoord - 2026

  • Gepost op 7 May 2026

2026 (1), laatst bijgewerkt op 7/5/2026



Omphaliaster asterosporus (J.E. Lange) Lamoure – Stersporige trechterzwam

Syn. Hygroaster asterosporus (J.E. Lange) Singer

 

Gemeld: Eddy Vaes, 05-03-2026.

 

Kenmerkend is de grijsbruine, doorschijnend gestreepte hoed,25 mm breed, met een verdiept centrum. De steel is 32 × 2 mm groot. De witachtige lamellen (L= 19, l= 3-6) zijn recht aangehecht tot kort aflopend en aderig verbonden. De bijna ronde sporen zijn (4,5)5,5-6,5(7) × (4)4,5-5,5(6,5) µm groot, het gemiddelde van 30 sporen bedraagt 6,1 × 5,1 µm en de Q-waarde = 1-1,4, Qgem.= 1,2. De sporenwand is bezet met conische stekels, tot 2 µm lang (fig. 1). De basidiën zijn 4-sporig. Er werden geen cystiden of gespen waargenomen. De pileipellis is een cutis met zwak geïncrusteerde hyfen (fig.1). 

 

Opmerking: Gestreepte trechterzwam (Clitocybe vibecina) lijkt macroscopisch sterk op Stersporige trechterzwam maar heeft ellipsoïde, gladde sporen.

 

Onderzocht materiaal: tussen mossen op arm zand in dennenbos (Pinus sp.), Hamont-Achel, Beverbeekse heide, Leugenbarak, 03-03-2026, IFBL B7.52.13, lat 51.28595, lng 5.52279, leg. E. Vaes, det. L. Deceuninck, E. Vaes, herb. E. Vaes (EV1011).

 

Literatuur

Breitenbach J. & Kränzlin F. (1991). Pilze der Schweiz (Band 3). Verlag Mykologia, Luzern. 363 pp.
Kibby, G. (2020). Mushrooms and toadstools of Britain & Europe. Vol. 2 (part 1). 196 pp. 
Knudsen, H. (2012). Hygroaster Singer in Knudsen H. & Vesterholt J. (eds.) Funga Nordica. Agaricoid, boletoid, clavaroid, cyphelloid and gastroid genera. Nordsvamp, Copenhagen. 1083 pp.
Kuyper, T. (1995). Omphaliaster Lamoure in Flora Agaricina Neerlandica 3: Tricholomataceae (2), Bas, C.; Kuyper, T.W.; Noordeloos, M.E.; Vellinga, E.C. eds. (A.A. Balkema, Rotterdam). 183 pp.
 


Fig. 1: Omphaliaster asterosporus – Stersporige trechterzwam: hoed doorschijnend gestreept, lamellen met anastomosen en gestekelde sporen bij obj. 60x (congorood in ammoniakoplossing).

--------------------------------------------------------------------------------------------

Parascutellinia carneosanguinea (Fuckel) T. Schumach.Roze pelsbekertje

 

Gemeld: Lieve Deceuninck, 02/03/2026

 

Kenmerkend zijn de roze, schijfvormige apothecia. De buitenzijde is bezet met bruine, aangedrukte, haren. De cilindrische asci zijn 8-sporig, de gesepteerde parafysen zijn gevuld met roze pigmenten. De hyaliene, ellipsoïde sporen zijn (20,5)21,5-25(27) × (11)12-14(15) µm groot, gemiddeld 23,3 × 13 µm (40 sporen gemeten), en hebben een Q-waarde van (1,5)1,6-2(2,1); Qgem.= 1,8. De sporenwand lijkt glad bij observatie in water maar is duidelijk gepunteerd in katoenblauw (fig. 2, inzet). De inhoud bevat (1)2 grote druppels en enkele kleinere errond. De haren zijn gesepteerd met een puntige tot afgeronde top.

 

Onderzocht materiaal: in elzenbroekbos (Alnus glutinosa) op naakte, natte tot vochtige bodem, Meise, Velaertbos, 19-10-2025, IFBL D4.45.23, leg. S. Seeuws, det. en herb. L. Deceuninck (LD6438). 

 

Opmerking: bij een eerste, vluchtige blik lijken de vruchtlichamen op bleke wimperzwammetjes (Scutellinia spp.). Met de loep bekeken vallen de kortere, aangedrukte haren op. In de literatuur wordt geopperd dat deze soort een mycorrizasymbiont op vochtige naakte bodem bij Salix spp. is. 
Met deze vondst konden een nieuw genus en soortnaam aan de soortenlijst van Vlaanderen toegevoegd worden.

 

Literatuur en internetbronnen

Ascomycete org, https://ascomycete.org/2000-Pezizales/Species/Parascutellinia-carneosanguinea?mapid=416#prettyPhoto 
Declercq, B. (2022). The Pezizomycetes (Ascomycota) in Western Europe, key to the species. Version 1.3-23 june 2025, https://ascomycete.org/Keys/Key/key-0015, doi: 10.25664/KEY-0015 .


Fig. 2. Parascutellinia carneosanguinea - Roze pelsbekertje. Onderaan van links naar rechts: sporen, 8-sporige asci met roze gepigmenteerde parafysen en haren.

--------------------------------------------------------------------------------------------

Stropharia albonitens (Fr.) Quél. - Witglanzende stropharia

 

Gemeld: Lieve Deceuninck, datum 28-02-2026

 

Kenmerkend zijn de slanke, witte vruchtlichamen, met slijmige hoed, tot 40 mm breed. Het steeloppervlak is droog, zowel boven als onder de vlokkige ring. De lamellen, L=40, zijn lichtgrijs met een witte snede (fig. 3). De sporee is purperzwart. De basidiën zijn 4-sporig. De ellipsoïd-ovoïde sporen zijn (7,4)7,6-8,5(9) × (4,4)4,5-4,8(4,9) µm groot; gemiddeld 8,1 × 4,7 µm (15 sporen gemeten) en hebben een Q-waarde van 1,6-1,8(1,9); Qgem.= 1,7. De sporentop heeft een kleine, meestal centrale kiemporie. De sporenwand is glad en dikwandig. De sporeninhoud bevat kleine druppels. De cheiloleptocystiden zijn flexueus, smal clavaat, de top vaak verbreed. Pleuro- en caulochrysocystiden zijn aanwezig, evenals gloeoplere hyfen in de ring (fig. 4). Tussen grassen en veenmos groeiend.

 

Onderzocht materiaal: tussen grassen en veenmos (Sphagnum sp.), Geel, De Zegge, 13-11-2025, IFBL C5.37.22, det. & herb. L. Deceuninck (LD6553).

 

Opmerkingen: oudere exemplaren kunnen een geeltint in het centrum vertonen. Het microscopisch onderzoek van de ring bracht mooie gloeoplere elementen aan het licht. Dit kenmerk wordt in de literatuur niet beschreven. Ook de aanwezigheid van caulochrysocystiden bij Witglanzende stropharia wordt in de literatuur niet vermeld. Caulochrysocystiden zijn beschreven bij Kleefsteelstropharia (S. semiglobata) en S. ochraceoviridis. Beide soorten hebben opmerkelijk grotere sporen, resp. 16-21 × 8,5-11 µm, en (15,5)16,5-20 × 8,4-10,2 µm. 
Witglanzende stropharia is een zeldzame, saprotrofe soort waarvan de laatste registratie in Funbel dateert van 2017, te Zoersel.

 

Literatuur en internetbronnen:

Noordeloos, M.E. (2011). Strophariaceae s.l. Fungi Europaei 13: 1- 648.
Ryman, S. (2012). Stropharia (Fr.) Quél. in Knudsen H. & Vesterholt J. (eds.) Funga Nordica. Agaricoid, boletoid, clavaroid, cyphelloid and gastroid genera. Nordsvamp, Copenhagen. 1083 pp.
https://kvmv.be/paddenstoelen/soortenlijst/8876


Fig. 3. Stropharia albonitens – Witglanzende stropharia. 

 


Fig. 4. Microscopische kenmerken van Stropharia albonitens

--------------------------------------------------------------------------------------------

Protostropharia dorsipora (Esteve-Rav. & Barassa) Redhead – Scheefporige stropharia

Syn. Stropharia dorsipora Esteve-Rav. & Barrasa

 

Gemeld: Lieve Deceuninck, 27-02-2026

 

Kenmerkend zijn de witachtige vruchtlichamen, een geelgetint hoedcentrum en een slijmig hoed- en steeloppervlak. De slijmige ring is bij volgroeide exemplaren onopvallend. De lamellen zijn lichtgrijs met een witte snede. De sporee is bruin met lilatint. De basidiën zijn 4-sporig. De bruine sporen zijn (14,5)15,0-17(17,5) × (7,5)8-9(9,5) µm groot; gemiddeld 16,1 × 8,3 µm (30 sporen gemeten) en hebben een Q-waarde van (1,7)1,9-2 (2,1); Qgem.= 1,9. De sporentop heeft een scheve (dorsaal geïnclineerde) kiemporie. De sporenwand is glad en dikwandig. De sporeninhoud bevat kleine druppels. De cheilocystiden zijn subcilindrisch en bevatten soms granulaire inhoud. Pleurochrysocystiden zijn aanwezig, geen chrysocystiden op de steel. Op paardenmest groeiend (fig. 5).

 

Opmerkingen: met het kenmerk “slijmige steel onder ring of ringzone” wordt de determinator meteen naar Stropharia subg. Stercophila geleid (Noordeloos, 2011). Met een gemiddelde sporenbreedte van 8,3 µm en dus < 8,5 µm, kwam eerst Stropharia alcis onder de aandacht. Deze op elandenmest groeiende soort heeft echter sporen met een centrale kiemporie. Ook de nauwverwante en meer algemene Kleefsteelstropharia (S. semiglobata) heeft sporen met een centrale kiemporie en chrysocystiden op de steel. Scheefporige stropharia is een zeer zeldzame soort in Vlaanderen, in 2006 voor het eerst te Wortel waargenomen en nu voor een tweede maal in Funbel geregistreerd. Op waarnemingen.be werd Scheefporige stropharia in 2023 te Koksijde gesignaleerd.

 

Onderzocht materiaal: op paardenmest (Equus), Doel, Doelpolder Noord, 18-12-2025, IFBL D4.43.23, Leg. R. Moenssens, det. & herb. L. Deceuninck (LD6624).

 

Literatuur en internetbronnen:

Noordeloos, M.E. (2011). Strophariaceae s.l. Fungi Europaei 13: 1- 648. 
Ryman, S. (2012). Stropharia (Fr.) Quél. in Knudsen H. & Vesterholt J. (eds.) Funga Nordica. Agaricoid, boletoid, clavaroid, cyphelloid and gastroid genera. Nordsvamp, Copenhagen. 1083 pp.
https://kvmv.be/paddenstoelen/soortenlijst/13966
https://waarnemingen.be/observation/265954902/


Fig. 5. Protostropharia dorsipora – Scheefporige stropharia. Onderaan links: sporen met scheve kiemporie; midden: 4-sp. basidiën en een pleurochrysocystide in Phloxine B; rechts subcilindrische cheilocystiden.

 

Agenda

21 jun.

s Herenbos te Oostmalle

Meer

22 jun.

Educatieve bijeenkomsten van ZWAM te Diest

Meer

23 jun.

Determinatieavond (Wilrijk, Antwerpen)

Meer

24 jun.

KVMV-bestuursvergadering (online)

Meer

30 jun.

Interactieve determinatieavond (B&D)

Meer

01 jul.

Nog tot en met 2 augustus 2026

Meer

12 jul.

Excursie in voorbereiding

Meer

13 jul.

Educatieve bijeenkomsten van ZWAM te Diest

Meer

27 jul.

Educatieve bijeenkomsten van ZWAM te Diest

Meer

09 aug.

Excursie in voorbereiding

Meer