U bevindt zich hier: Home  >  Actueel

Actueel

< terug naar overzicht
  • 06/03/2024

OPROEP: medewerkers gezocht voor microscopisch onderzoek naar knolkelkjes op Speenkruid



Stip Helleman lanceerde een oproep in het Maandjounaal Paddenstoelen Nummer 34 van 1 maart 2024 (zie vanaf bladzijde 9 )

Uw medewerking in het onderzoek van knolkelkjes op Speenkruid (Ficaria) is meer dan welkom.

Opgelet: zijn mailadres is ondertussen gewijzigd naar  stip@helotiales.nl  (gemeld op 19/3/2024) 

Veel plezier en succes ermee. 

 

Oproep van Stip Helleman (tekst met foto's: zie  Maandjournaal 34 )

 

Knolkelkjes op Speenkruid 

Er worden vier verschillende soorten knolkelkjes gemeld van Ficaria (Speenkruid): Dumontinia tuberosa (Anemonenbekerzwam), Sclerotinia binucleata Baral (voorlopige naam), Sclerotinia sclerotiorum (Gewoon knolkelkje) en Botryotinia ficariarum (nog geen Nederlandse naam). In dit artikeltje worden de onderscheidende kenmerken tussen deze soorten beschreven. We zouden graag zien dat jullie uitkijken naar deze knolkelkjes op Speenkruid, de kelkjes zorgvuldig uitgraven, inclusief sclerotium, en deze microscopisch beschrijven. We zijn erg benieuwd naar jullie ervaringen en willen graag weten of de Anemonenbekerzwam ook op Speenkruid voorkomt. Ook willen we graag materiaal ontvangen van B. ficariarum. De beschrijvingen van de vondsten en foto’s van de microscopische kenmerken kun je sturen naar stip.helleman@tele2.nl.

 

De verschillen tussen Dumontinia tuberosa op Anemone en Sclerotinia spec. op Ficaria

D. tuberosa is een matig algemene soort die op A. tuberosa (Bosanemoon) groeit. Een of meerdere kelkvormige vruchtlichamen met een diameter van 10 tot 30 mm en een donkere steel ontspringen uit een onregelmatig knollig zwart sclerotium. Onduidelijk is of D. tuberosa ook op Ficaria kan voorkomen. Meldingen van vondsten bij Ficaria zouden betrekking kunnen hebben op een onbeschreven dubbelganger die microscopisch echter goed onderscheidbaar is, S. binucleata. D. tuberosa heeft in radiaire doorsnede een laag van langgerekte cellen tussen de buitenlaag en het binnenste deel van het excipulum evenwijdig met de buitenzijde lopend. Bij de dubbelganger ontbreekt dit geheel, evenwel bij deze komen meestal kleine kristallen op de buitenkant van het vruchtlichaam voor, verder heeft D. tuberosa rechte haarachtige hyfen uitsteken uit het excipulum en de dubbelganger peervormige hyfen die ook korter zijn. De sporen hebben vier celkernen t.o.v. de dubbelganger slechts twee; deze zijn zichtbaar bij levende sporen in water als “lege” regionen met eventueel een klein bolletje erin, de nucleotide (het kernlichaampje). De gemiddelde lengte/breedte-verhouding van de sporen is bij D. tuberosa 2,2 en bij  zijn dubbelganger 2,06. De sporen van D. tuberosa zijn 13-17(18) × 6,5-7,5 µm en van de dubbelganger 11-15 × 6-7 µm. Omdat S. binucleata nog niet officieel is beschreven kan deze soort nog niet worden opgeven.

 

Sclerotinia sclerotiorum

Ook zijn er meldingen op Speenkruid van S. sclerotiorum. Deze onderscheidt zich van de vorige twee soorten door de vruchtlichamen die gemiddeld beduidend fragieler en kleiner zijn, tot 1 cm in doorsnede, licht geelbruin van kleur en het “hoedje” vaak convex wordend. De sporenmaten en het aantal celkernen komen overeen met die van S. binucleata. Delen van het excipulum kunnen blauw kleuren in Lugol (of Melzer?); dit is niet bekend van de bovengenoemde soorten. De sclerotia bevatten gelatineuze delen in het binnenste weefsel in tegenstelling tot voorgenoemde soorten.

 

Botryotinia ficariarum

Nog een soort die op Speenkruid voorkomt is B. ficariarum. Deze soort is nog niet onderzocht wegens gebrek aan materiaal. Volgens de originele beschrijving heeft deze soort een vroegere verschijningstijd. Al vanaf begin maart komen de apothecia, iets eerder als de anamorf die als een witgrauw pluis de Speenkruid bladeren infecteert waaruit de sclerotiën zich dan weer in april-mei in de grond ontwikkelen. De vruchtlichamen komen uit langwerpige sclerotia die resten van het substraat zouden bevatten en gelatineuze delen hebben. De vruchtlichamen hebben een doorsnede van 2 tot 5 mm. Dit is al met al voldoende onderscheid om deze soort te herkennen naast de ascosporen die spoedig conidiën afsnoeren in de asci. B. ficariarum is nog niet officieel gemeld uit Nederland, hoewel een gedeelte van het onderzochte materiaal in de originele beschrijving uit Nederland kwam (Sassenheim 1930). 

Agenda

16 APRIL

Inventarisatieproject De Zegge te Geel (B&D)

Meer

21 APRIL

Voorjaarsexcursie Egenhovenbos

Meer

22 APRIL

Educatieve bijeenkomsten van ZWAM te Diest

Meer

23 APRIL

KVMV-bestuursvergadering

Meer

27 APRIL

Het Rot te Antwerpen-Linkeroever (Antwerpen)

Meer

30 APRIL

Presentatie en practicum (Wilrijk, Antwerpen): thema Breeksteeltje (Conocybe) (B&D)

Meer

06 MEI

Educatieve bijeenkomsten van ZWAM te Diest

Meer